Hadt-je-me-maar serieus genomen
- Yannick Rietman

- Jan 14
- 3 min read

De gemeenteraadsverkiezingen van 1921 in Amsterdam waren geen gewone verkiezingen. ze waren geen rationeel debat over beleid, maar een collectieve uitbarsting van wantrouwen. De Rapaille Partij deed mee met als lijsttrekker Hadt-je-me-maar, een dakloze en alcoholist die bewust werd ingezet als provocatie. Niet om te regeren, maar om te ontregelen.
Duizenden Amsterdammers stemden niet voor een programma, maar tegen een politiek die zij niet langer herkenden als hun vertegenwoordiger. Het was een stem tegen zelfgenoegzaamheid, tegen bestuurlijke afstand en tegen een elite die zichzelf serieus nam, maar de burger niet.
Dat maakt deze verkiezingen geen curiositeit, maar een historische waarschuwing.
Spot als symptoom
De kracht van de Rapaille Partij zat niet in haar ideeën, maar in haar vorm. De spot was scherp, de boodschap genadeloos: als dit systeem werkelijk zo verheven en rationeel is, waarom is het dan zo kwetsbaar voor satire?
De gevestigde politiek reageerde verontwaardigd, maar niet zelfkritisch. Men lachte de Rapaille Partij weg als een grap, zonder te begrijpen dat satire altijd ontstaat waar gezag zijn geloofwaardigheid verliest. Bestuurders zagen de grap, maar niet de aanklacht.
Erich Wichman en het antiparlementaire denken
Een van de drijvende krachten achter de Rapaille Partij was Erich Wichman. Kunstenaar, polemist en overtuigd antiparlementariër. Wichman geloofde niet dat het parlement hervormbaar was. In zijn ogen was het geen instrument van vertegenwoordiging, maar een rookgordijn waarachter macht zich aan verantwoordelijkheid onttrok.
Zijn kritiek was fundamenteel. Hij verwierp niet een beleid of een partij, maar het hele idee van parlementaire besluitvorming. Daarmee stond hij lijnrecht tegenover het idee dat vrijheid juist bescherming nodig heeft in de vorm van instituties, rechtszekerheid en begrensde macht.
Dat verschil is essentieel om te begrijpen hoe kritiek kan ontsporen.
De Bezem: geen satire, maar fascisme
De stap van spot naar radicalisering werd zichtbaar in het blad De Bezem, waarbij Wichman samenwerkte met Hugo Sinclair de Rochemont en Alfred Haighton. De Bezem was geen ironisch plamflet en geen speelse provocatie. Het was een openlijk fascistisch en antiparlementair blad dat opriep tot het ¨schoonvegen¨ van het bestaande politieke systeem.
Parlement, partijen en democratische instituties werden niet bekritiseerd om hun falen, maar verworpen als principe. De toon was autoritair, elitair en gewelddadig in zijn retoriek. Waar satire ontmaskert, wilde De Bezem vernietigen.
Dat is het moment waarop legitieme onvrede verandert in een gevaarlijke ideologie.
Sinclair de Rochemont en Haighton: verder dan protest
Hugo Sinclair de Rochemont was geen incidentele meeloper. Hij was actief betrokken bij verschillende autoritaire en fascistische initiatieven in het interbellum en stond bekend om zijn afkeer van democratie en parlementarisme. Zijn denken bewoog zich nadrukkelijk richting een autoritaire staatsopvatting waarin individuele vrijheid onderschikt was aan orde en hiërarchie.
Alfred Haighton ging nog verder. Hij was een centrale figuur binnen het Nederlandse fascisme en speelde een belangrijke rol in de oprichting van het Verbond van Actualisten, een expliciet fascistische beweging. Later was hij betrokken bij de NSNAP (Nationaal-Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij), een nationaalsocialistische splinterpartij die zich spiegelde aan het Duitse voorbeeld.
Haighton was geen terleurgestelde burger, maar een ideoloog die onvrede gebruikte als brandstof voor autoritaire macht.
Parallellen met het heden
Ook vandaag zien we een groeiende afstand tussen burgers en politiek. Mensen die vastlopen in regels. Ondernemers die worden gewantrouwd door de staat. Gezinnen die door instituties zijn beschadigd en daarna jarenlang moeten smeken om erkenning.
De reflex van de politiek is nog steeds uitleggen in plaats van luisteren. Managen in plaats van corrigeren. Communicatie in plaats van verantwoordelijkheid.
Geschiedenis leert dat dit geen neutrale houding is, maar een risiscovolle.
De les van 1921
De Rapaille Partij was een waarschuwing. Hadt-je-me-maar was geen clown, maar een symptoom. De Bezem liet zien wat er gebeurt als structurele onvrede wordt overgelaten aan radicalen die het systeem niet willen verbeteren, maar vervangen door autoritair gezag.
Een vrije samenleving kan tegen spot. ze kan tegen kritiek. Maar ze kan niet tegen een politiek die structureel weigert zichzelf te begrenzen en te corrigeren.
Wie dat vergeet, moet niet verbaasd zijn als satire opnieuw de voorbode wordt van iets van iets veel duisterders.
Hadt-je-me-maar serieus genomen. Dat was geen grap. Dat was een waarschuwing.




Comments